ener-gie (de;v) 1. (natuurkunde) vermogen om arbeid (2) te verrichten, kracht waardoor machines en apparaten kunnen werken. 2. kracht en zin om iets te doen. ge-doe (het;o) 1. dingen die moeite kosten en last of ergenis veroorzaken. 2. drukte, ophef.
re-ge-len (regelde, heeft geregeld) 1. in orde maken